Het zware leven van een Backpacker in NZ

Tot ziens Zuidereiland! Momenteel zit ik op de boot naar Wellington en keer ik terug naar het Noordereiland. Het andere eiland is dus verleden tijd, maar daar heb ik twee geweldige maanden beleefd. Over de laatste paar weken ervan heb ik nog geen blog geschreven, dus doe ik dat nu maar even. De ferrytocht duurt immers drie uur.

Goed, ik was gebleven in Schotland. Oh nee, het is nog steeds Nieuw-Zeeland. Tja, de verwarring kan er zomaar zijn wandelend door Dunedin, toch de meest Schotse stad buiten Schotland. En naast de naam (Dunedin is de Gaelic-naam voor Edinburgh) zie je meer Schotse aspecten. Alle straten zijn vernoemd naar geografische namen in Schotland, er is een Schotse winkel, bar en restaurant, er staat een groot standbeeld van Robert Burns (bekendste Schotse dichter) en de Schotse vlag wappert op meerdere plekken in de stad. Ook heeft Dunedin de op een na oudste doedelzakband van NZ, en wel The City of Dunedin Pipe Band, waar ik een repetitie van heb bijgewoond. Met ook nog een bezoekje aan de Otago Settlers Museum (met oa een tentoonstelling over de Schotse invloed in Dunedin), The Sports Hall of Fame en Larnach Castle (het enige kasteel in NZ, maar vergeleken met Europese kastelen, is het meer een landhuis dat iets van een kasteel weg heeft) heb ik me hier prima vermaakt. Mede door de aanwezige studenten (de oudste universiteit van NZ bevindt zich hier) is Dunedin misschien wel de gezelligste en levendigste stad van Nieuw-Zeeland. Tot slot moet het centraal station van Dunedin nog genoemd worden, de Dunedin Railway Station. Een prachtig bouwwerk, naar het schijnt een van de meest gefotografeerde gebouwen ter wereld. Vanaf hier vertrekt ook nog eens een schitterende treinreis, de Taieri Gorge Railway. Een vier uur durende rit over een historische spoorlijn, dat dwars door het prachtige berglandschap achter Dunedin gaat. Het zou zomaar een aflevering van Railaway kunnen zijn.

Na een mooi weekje Dunedin ging ik naar Oamaru. Daar verbleef ik in Chillawhile, een excentriek hostel in een mooi, oud Victoriaans pand. Hier zou ik mijn eerste werkervaring in Nieuw-Zeeland opdoen. Het was op vrijwillige basis. Voor een paar uurtjes werk per dag had ik dan wel een gratis slaapplek. Het was typisch hostelwerk wat ik moest doen, zoals bedden opmaken, ruimtes schoonmaken en kamers stofzuigen (inderdaad dingen die ik thuis amper doe). De rest van de tijd besteedde ik aan relaxen in het hostel en het verkennen van het stadje Oamaru. Best een aardig stadje trouwens. Het is gelegen aan zee, waar regelmatig pinguïns aan de kade te spotten zijn, en het heeft een prachtig historisch stadscentrum. Verder heb ik met de ‘collega’s’ nog een uitstapje gemaakt naar Mount Cook, de hoogste berg van Nieuw-Zeeland. De autorit voerde door het bergachtige binnenland van het Zuidereiland en langs onder andere Lake Pukaiki, één van de schitterendste meren van Nieuw-Zeeland. Vanuit hier kun je de besneeuwde bergtoppen al zien liggen. En wat een verschil zeg met het vlakke kustplaatsje Oamaru, dat op slechts 2,5 uur rijden is.

Na vier dagen vond ik het dan welletjes in Oamaru en pakte ik de bus naar Christchurch. Mark was daar al en we hadden dezelfde hostel geboekt. Na onze ervaringen uitgewisseld te hebben als eenzame backpacker, besloten we weer om samen verder te reizen. Het is toch een stuk gezelliger en ook vanuit financieel oogpunt is het beter. De volgende dag bezochten we het stadscentrum van Christchurch, of eigenlijk wat ervan over is. Christchurch is namelijk in 2010 en 2011 zwaar getroffen door een aardbeving en dat is nog duidelijk te zien. Voor een grote stad is het er ontzettend stil. Je hoort vooral bouwmachines, bezig met het repareren van wegen en gebouwen. Je merkt wel dat er veel initiatieven worden ondernomen, om de stad weer levendig en bewoonbaar te maken, maar er is nog een lange weg te gaan. Best indrukwekkend om dit zo gezien te hebben. De tweede dag Christchurch hebben we, op uitnodiging van Diana, op het strand doorgebracht. Diana, uit Zeeland, hadden we al eerder in Taupo ontmoet en Mark ontmoette haar weer in Queenstown. Omdat ze zelf net in Christchurch woont, vlakbij het strand, gingen we daar maar heen. En na een aantal dagen veel regen, bewolking en kou te hebben gehad, was het heerlijk om zon, zee en strand weer tegelijk te ervaren.

De volgende bestemming werd Kaikoura, vanuit Christchurch is dat ongeveer 3 uur met de bus. Kaikoura is een plek waar ontzettend veel maritiem leven gezien kan worden, zoals dolfijnen, pinguïns, zeehonden en walvissen. En vooral dat laatste wouden we erg graag zien. Dat kon natuurlijk alleen op de oceaan en dus hebben we een Whale Watch tour geboekt, die je naar de walvissen in de Pacifische oceaan brengt. Uiteindelijk hebben we ‘slechts’ één walvis gezien, maar ook drie orka’s! En dat was echt ongelooflijk om die beesten van zo dichtbij te zien. De volgende dag hebben we de Kaikoura Peninsula Walk gedaan, Een wandeling van drie uur over het kleine heuvelachtige schiereiland dat vlak achter Kaikoura ligt, of eigenlijk er meer aan vast zit. Tijdens deze wandeling troffen we nog zeehonden aan op slechts 10 meter afstand. Ook best bijzonder. De laatste dag in Kaikoura moesten we noodgedwongen binnen doorbrengen. Een tropische storm was namelijk boven Nieuw-Zeeland gearriveerd en dat bracht die dag in Kaikoura veel regen en wind. Ook dat hebben we dan maar meegemaakt en konden we even relaxen.

En toen opeens hadden we werk in Blenheim, het plaatsje waar we uiteindelijk bijna drie weken verbleven. En zonder werk hoef je hier zeker niet zo lang te zijn. Het had nog wel wat voeten in de aarde om werk te vinden. Het heeft ons veel telefoontjes gekost en na drie dagen wachten konden we dan aan de slag. Samen met twee Duitse (tja..) jongens gingen we in alle vroegte naar een wijngaard toe, prachtig gelegen in de Wairau Valley, op ongeveer een half uurtje rijden van ons hostel. Daar lag een tweeweekse contract op ons te wachten, en dat was ook meer dan genoeg. Het zou algemeen werk op de wijnvelden worden, maar druiven plukken of iets dergelijks was het dan niet. Nee, we mochten stenen gaan rapen, en het ging om grote zware keien, die onder het zand verstopt lagen. Ofwel, niet normaal zwaar werk, zeker in de zon. Na 2 dagen had ik er eigenlijk al weer genoeg van. Gelukkig mochten we na een week (!) iets anders doen (de planten snijden en binden) en op de laatste dag hebben we dan toch nog druiven mogen plukken. Twee dagen eerder dan verwacht, was het werken voorbij (erg blij daarmee) en sloten we ons Blenheim-avontuur af in de Ierse pub, vergezeld door drie Duitsers en iemand uit Quebec (Canada). Omdat het werk eerder stopte, konden we nog een dag in Picton doorbrengen, het plaatsje waar de ferry naar Wellington vertrekt. In Picton hebben we nog een mooi stukje gefietst (voor het eerst op de fiets in NZ!) en de rest van de dag lekker geluierd. En zo eindigde de prachtige rondreis over het Zuidereiland daar waar het twee maanden eerder begon. Wat heb ik hier veel moois meegemaakt!

Nu dus op de weg (naja water eigenlijk) terug naar het Noordereiland, om te beginnen in de hoofdstad. We hebben nog twee mooie weken in Nieuw-Zeeland te gaan en dan wacht Australië al weer op ons! Ik ga nog even van de mooie ferrytocht genieten. Tot later!

image

image

image

image

image

image

Foto’s: Dunedin Railway Station; Taieri Gorge Railway; uitzicht op Mount Cook; historisch Oamaru; orka’s spotten in Kaikoura; rustig aan in Picton.

Een gedachte over “Het zware leven van een Backpacker in NZ

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s